SARO ontving op 15 december 2025 adviesvragen van Vlaams minister Ben Weyts over:
- Het voorontwerp van decreet tot wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wat betreft de subsidies aan actoren en de Erfgoedlening.
- Het voorontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, het Varenderfgoedbesluit van 27 november 2015 en het besluit van 23 november 2023 over Vlaamse Erfgoednetwerken, wat betreft de project- en beheerssubsidies en de onderhouds- en beheerspremies.
De raad opteert om het ontwerpdecreet en -besluit te behandelen in één advies en formuleert volgende strategische bemerkingen:
- Algemeen stelt SARO vast dat de wijzigingen één voor één kaderen in de aangekondigde optimalisering van het Vlaams financieel instrumentarium voor de onroerenderfgoedzorg. Niettemin is onduidelijk hoe de voorgestelde maatregelen zich verhouden tot de totaliteit van de aangekondigde optimalisatieoefening en of nog andere wijzigingen aan het financieel instrumentarium zijn gepland. De raad acht het van belang om de optimalisatie van het financieel instrumentarium in zijn geheel te kunnen beoordelen. De raad benadrukt dat er nog heel wat vragen zijn over de impact, reikwijdte en budgettaire consequenties van de verschillende voorstellen ten overstaan van het totaalpakket aan financiële ondersteuningsmiddelen.
- SARO onderschrijft het potentieel van erfgoedleningen als extra financieringskanaal. De raad vraagt evenwel aandacht voor een complementaire inzet van de Erfgoedlening. De raad acht het aangewezen een minimaal decretaal kader te voorzien met het oog op de evenwichtige toekenning van erfgoedleningen en de gelijkberechtiging tussen publieke en private actoren.
- De raad ondersteunt de ambitie om van de ‘projectsubsidies na oproep’ een flexibel instrument te maken, maar benadrukt het belang van een complementaire inzet. Verder ondersteunt de raad dat voor de aparte ‘projectsubsidie op initiatief van de minister’ een reglementair kader wordt voorzien in het Onroerenderfgoedbesluit.
- Wat de procedurele aspecten van de projectsubsidies betreft, wijst de raad op de grote vrijheidsmarge die het ontwerpbesluit laat, waardoor de operationalisering ervan onduidelijk is. De raad acht het aangewezen om op niveau van het uitvoeringsbesluit garanties in te bouwen op een voldoende evenwichtige thematische spreiding van oproepen en erover te waken dat procedurele vereisten geen al te hoge drempels opwerpen voor specifiek kleinere spelers in het veld. SARO vraagt daarnaast in te zetten op een transparant en eenduidig beoordelingsproces.
- De raad benadrukt dat de decretale verruiming van de lijst van actoren aan wie een subsidie toegekend kan worden nog verdere uitwerking behoeft. Ook heeft de raad bedenkingen bij de mogelijkheid om een Vlaams Erfgoednetwerk bijkomend te subsidiëren aan aparte premiepercentages. Het is de raad onduidelijk op basis waarvan dit onderscheid wordt gemaakt, aangezien het ontwerpbesluit niet nader bepaalt wat onder ‘bijzondere opdrachten’ kan worden begrepen.
- Wat de aanpassing van de premiepercentages voor varend erfgoed betreft, wijst de raad op zijn bezorgdheid over de eventuele bijsturing van het premiestelsel voor onroerend erfgoed (incl. premiepercentages).