advies samenwerkingsakkoord energieprojecten

Minister Freya Van den Bossche verzocht SARO om een spoedadvies over (1) de implementatie van de EU-Verordening nr.347/2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en over (2) het voorontwerp van decreet houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de oprichting van een vergunningscoördinerend- en faciliterend comité voor energieprojecten.

Niettegenstaande de Vlaamse Regering reeds op 14 juni 2013 haar goedkeuring heeft gehecht aan de krachtlijnen en principes van de conceptnota ter implementatie van de Europese Verordening nr. 347/2013, wordt SARO pas op het einde van het besluitvormingsproces - en dan nog via een spoedprocedure - om advies verzocht. De raad betreurt deze werkwijze. De raad vraagt dan ook in zijn advies van 23 oktober 2013 om de impact van de implementatie van deze Europese verordening in kaart te brengen. Een duidelijk stappenplan is noodzakelijk. Zo wijst de raad er onder meer op dat de Europese Verordening voorziet dat de lidstaten moeten beoordelen hoe de milieubeoordelingsprocedures moeten worden gestroomlijnd en hoe moet worden gewaarborgd dat zij zo consistent mogelijk worden toegepast. Ook wijst de raad op de nieuwe regelgeving die zal moeten worden uitgewerkt voor het integratiespoor voor milieueffectrapportage in ruimtelijke plannen, na het arrest van het Grondwettelijk Hof hierover. Gekoppeld aan de vraag voor het uitwerken van een stappenplan, meent de raad dat het ook wenselijk is om duidelijkheid te verschaffen over de beoogde timing. Het is voor de raad immers niet duidelijk hoe alles tijdig kan worden geïmplementeerd.

Met betrekking tot het samenwerkingsakkoord beperkt SARO zich in zijn advies tot enkele strategische bemerkingen. Het lijkt de raad o.a. aangewezen om voor het Vlaams Gewest een beleidsoefening door te voeren omtrent de wenselijkheid van gemeenschappelijke coördinerende en/of faciliterende comités. Alleen al op vlak van ruimtelijke beleidsplanning is een structurele afstemming tussen de drie gewesten onderling en desgevallend met de federale overheid (o.a. voor ruimtelijke mariene aangelegenheden) meer dan noodzakelijk. Bovendien is het exclusief beperken van een proces tot de zuivere infrastructuurcomponent niet bevorderlijk voor een geïntegreerde en gebiedsgerichte kwalitatieve benadering van ruimtelijke vraagstukken.