SARO ontving op 16 juli 2025 een adviesvraag van minister Jo Brouns over het ontwerp van decreet houdende afwijkingen op de omgevingsvergunningsplicht, omgevingsmelding en andere toelatingen in geval van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie.
SARO formuleert volgende strategische bemerkingen bij het ontwerpdecreet:
De raad formuleert een aantal bedenkingen bij de beleidsmatige en procesmatige inbedding van het ontwerpdecreet, evenals bij de afstemming en samenhang ervan met andere defensiegerelateerde initiatieven op Vlaams, federaal, Europees en internationaal niveau. De raad pleit voor een proactieve, planmatige en geïntegreerde aanpak bij de uitbouw van Vlaamse defensie-infrastructuur. Tot slot acht de raad het wenselijk om de ruimtelijke doelstellingen uit het Vlaams defensieplan maximaal in te bedden in het reguliere omgevings- en vergunningsbeleid.
De raad benadrukt dat het strikte uitzonderingskarakter van het ontwerpdecreet te allen tijde gewaarborgd moet blijven. Het is in die zin positief dat het ontwerpdecreet een duidelijke definitie omvat van een ‘defensiegerelateerde uitzonderingssituatie ’, met twee cumulatief te vervullen voorwaarden. Positief is ook dat het ontwerpdecreet voorziet in de nodige ‘checks and balances’ om de rechtszekerheid en democratische controle te waarborgen.
De raad heeft enkele vragen bij het toepassingsgebied van het ontwerpdecreet.
Het ontwerpdecreet verbindt de uitvoering van de betreffende handelingen en exploitatie niet aan specifieke locatiekeuzes of ruimtelijke bestemmingen. De raad begrijpt dat dit is ingegeven vanuit een uitzonderingssituatie en verwijst in dat opzicht naar haar vraag naar een proactieve en planmatige aanpak.
De raad erkent dat de sui generis procedure doelbewust soepel wordt gehouden om in geval van een defensiegerelateerde uitzonderingssituatie passend en snel te kunnen reageren. SARO raad pleit evenwel voor een zo transparant mogelijk proces en vraagt deze transparantie te bewaken doorheen de verschillende procedurestappen.
Het is positief dat het ontwerpdecreet voorziet in een overgangsperiode met het oog op ruimtelijk herstel. Deze periode laat initiatiefnemers ook toe om desgewenst de nodige vergunningen aan te vragen of om een lopende productie in uitvoering van een eerder gegunde opdracht voor levering te kunnen afwerken. De raad vraagt evenwel aandacht voor de effectieve afdwingbaarheid van het via het ontwerpdecreet opgelegde ruimtelijk herstel en de compenserende maatregelen.