SARO ontving op 2 juni 2026 een adviesvraag van minister Jo Brouns over het ontwerp van decreet tot wijziging van verschillende decreten naar aanleiding van de invoering van de modulaire omgevingsvergunningsprocedure.
SARO erkent het belang van robuuste en rechtszekere vergunningen. De
raad onderschrijft ook principieel de algemene intentie van het ontwerpdecreet, om meer oplossingsgericht en efficiënter te werken, en de rechtszekerheid te versterken.
Er bestaat binnen de raad geen consensus over de concrete uitwerking en maatregelen in het ontwerpdecreet. De standpunten van de raadspartners over het ontwerpdecreet lopen bovendien sterk uiteen.
De raad stelt vast dat deze spreidstand mede het gevolg is van verschuivingen in de verhoudingen tussen de verschillende actoren in het vergunningenproces. Sommige van de voorgestelde aanpassingen van de vergunningsprocedure en beroepsmogelijkheden wijzigen immers de rol en de impact in het proces van aanvragers, vergunningverlenende overheden, omgevingsambtenaren, adviesverlenende instanties, burgers en verenigingen. Binnen de raad bestaat er heel wat discussie over het al dan niet wenselijk verschuiven van deze verhoudingen.
Een bijkomende spanning vloeit voort uit bezorgdheden over de impact van het ontwerpdecreet op de doelstellingen en de opdracht van het bredere omgevingsbeleid.
Om deze redenen kan de raad zich niet als geheel uitspreken over het ontwerpdecreet in zijn huidige vorm. In dit advies focust SARO daarom op een aantal algemene beschouwingen waarover binnen de raad een gemeenschappelijke basis bestaat.
SARO formuleert volgende strategische bemerkingen bij het ontwerpdecreet:
- Het is onduidelijk hoe het ontwerpdecreet zich verhoudt tot de totaliteit van het Actieprogramma. SARO vraagt om meer duidelijkheid te scheppen inzake komende regelgevende trajecten, zowel inhoudelijk als timingsgewijs. De raad merkt bovendien op dat nog heel wat elementen van het ontwerpdecreet verdere invulling behoeven. Zo formuleert het ontwerpdecreet voor diverse bepalingen een delegatiebevoegdheid aan de Vlaamse Regering. Daardoor is het niet mogelijk om zicht te krijgen op de totaliteit van de beoogde nieuwe regelgeving, noch op de effectieve impact van het ontwerpdecreet.
- De raad onderstreept het belang van een planmatige benadering en benadrukt de rol van ruimtelijke planning als essentieel onderdeel van het omgevingsbeleid. Het vergunningenbeleid dient complementair te zijn aan en afgestemd te blijven met de planvorming. De raad vraagt duidelijkheid over de impact van de voorgestelde wijzigingen op het bredere omgevingsbeleid.
- De raad wijst op de impact van het ontwerpdecreet op lokale besturen. SARO acht een gedegen ondersteuning en voldoende capaciteit van lokale besturen een noodzakelijke randvoorwaarde voor een oplossingsgerichte, efficiënte, rechtszekere en robuuste vergunningspraktijk.
- De raad merkt op dat het ontwerpdecreet pas in werking kan treden indien ook de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten zijn uitgewerkt en goedgekeurd. Gelet op de talrijke uitvoeringsbesluiten die de Vlaamse regering nog moet nemen om het ontwerpdecreet operationeel te maken, is de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving nog zeer onduidelijk. De raad acht een voldoende ruime overgangsperiode noodzakelijk, zodat alle actoren zich de nieuwe procedures eigen kunnen maken.
- De raad vraagt aandacht voor de praktische implementatie van het ontwerpdecreet. Concreet wenst de raad te benadrukken dat het ‘Omgevingsloket 2.0’ volledig operationeel moet zijn voor de inwerkingtreding van het ontwerpdecreet. Daarnaast acht de raad het noodzakelijk dat alle betrokken actoren in het vergunningenproces voldoende worden ondersteund bij het invoeren van de nieuwe procedures.
- De raad acht het noodzakelijk om na implementatie van het ontwerpdecreet blijvend in te zetten op bijsturingen aan de hand van monitoring en evaluatie.
- Het ontwerpdecreet (art. 52-53) voert een herzieningsprocedure in. De raad formuleert een aantal bemerkingen bij deze herzieningsprocedure.