briefadvies omgevingshandhaving

SARO ontving op 16 mei 2022 een adviesvraag van minister Zuhal Demir over het voorontwerp van decreet houdende de optimalisatie van de omgevingshandhaving. Met voorliggend advies goedgekeurd op de raadszitting van 22 juni 2022 komt de raad tegemoet aan de vooropgestelde adviestermijn van dertig dagen.

Het voorontwerp van decreet bevat diverse wijzigingsvoorstellen betreffende de handhavingsbepalingen milieu (titel XVI DABM) en ruimtelijke ordening (titel VI VCRO). Naast enkele technische aanpassingen worden enkele handhavingsinstrumenten geoptimaliseerd of toegevoegd met het oog op een efficiëntere toepassing ervan en het verruimen van de handhavings-mogelijkheden. De handhavingsregels milieu en ruimtelijke ordening worden voor diverse aspecten op elkaar afgestemd. Het voorontwerp van decreet wenst een aantal ‘quick-wins’ te realiseren teneinde tot een verbeterde handhaving op het terrein te komen. 

Voorliggend advies formuleert enkele strategische bedenkingen bij de wijzigingsvoorstellen van de handhavingsregels inzake ruimtelijke ordening.

  • SARO ondersteunt de intentie van voorliggend voorontwerp van decreet om de handhavingsregels van het DABM en de VCRO verder op elkaar af te stemmen en stelt ook vast dat diverse wijzigingsvoorstellen simultaan worden doorgevoerd in beide regelgevingen.
  • SARO ondersteunt de wijzigingsvoorstellen inzake de uitbreiding van de omschrijving van de stedenbouwkundige inbreuk inzake meldingen wat betreft de niet-naleving van de opgelegde voorwaarden in de meldingsakte en de meldingsplichten inzake zorgwonen, en wat betreft het verder uitvoeren van handelingen in geval van verval, schorsing of vernietiging van de meldingsakte.
  • Inzake de wijzigingsvoorstellen met betrekking tot de inkomsten en teruggevorderde kosten voortvloeiend uit lokale handhaving verwijst de raad naar zijn standpunt geformuleerd in het briefadvies van 28 februari 2018 over het voorontwerp van decreet houdende de wijziging van diverse bepalingen van het DABM en de VCRO. De raad is van mening dat in de weinige gevallen dat handhavingstaken zichzelf kunnen financieren met inkomsten, het beleidsmatig is aangewezen dat die inkomsten terugvloeien naar de overheid die daar de moeite voor deed.
  • De raad neemt akte van de voorgestelde wijzigingen aan artikel 6.2.5, derde lid van de VCRO, dat de vaststelling van de stedenbouwkundige inbreuken wijzigt. De raad deelt de mening dat de depenalisering van bepaalde schendingen niet tot gevolg mag hebben dat ze moeilijker te bewijzen worden.